Oudejaarsdag. De dag van oliebollen met poedersuiker, bubbels in het glas en goede voornemens die meestal sneuvelen vóór Driekoningen. Maar voordat ik op het nieuwe jaar ging proostte, keek ik naar de Netflix-documentaire Becoming Led Zeppelin. Want als Nederland collectief terugkijkt in nostalgische feeststemming, mag ik best even officieel mee doen. Zonder schuldgevoel.
Wat me trof in de documentaire is hoe open de bandleden vertellen over hun helden. Jimmy Page, Robert Plant, John Paul Jones en John Bonham groeiden op met artiesten als Lonnie Donegan, Little Richard en Sonny Boy Williamson II. Bonham keek in die tijd ademloos naar de drummers van James Brown: Clyde Stubblefield en John “Jabo” Starks. Die mannen veranderden drummen in pure groove.
Wat je ziet is dat in die tijd muzikanten zélf hun muzikale koers bepaalde. Ze luisterden, kopieerden, leerden, struikelden, vonden hun eigen geluid — en schreven daarna muziekgeschiedenis. Vandaag? Nu laat AI datzelfde werk zien, maar op een schaal waar geen mens tegenop kan. Muziek wordt een productielijn, creativiteit inwisselbaar, authenticiteit een sticker die je er later opplakt.
Mijn eigen kennismaking met Led Zeppelin liep via mijn oudere broers. Ik was tien toen ze thuiskwamen met vinyl platen van The Yardbirds en Vanilla Fudge. “You Keep Me Hanging On” denderde door onze kleine woonkamer, terwijl mijn ouders in de keuken nog braaf de arbeidsvitamine volgden via de KRO-gids. Het was hun manier om alles vast te leggen? Een bandrecorder. Selectieve off-air mixtaping, opnemen met een bandrecorder, was hun eigen mini-muzieklaboratorium. Het was onze pre-digitale Napster, een plek om te experimenteren, combineren en ontdekken wat écht goed klonk.
Twee jaar later draaide ik op onze eerste witte stereoplatenspeler “Good Times Bad Times” en “Communication Breakdown” van Led Zeppelins debuutalbum. Singles? Daar deed de band niet aan. Als je hun muziek wilde voelen, moest je het hele album beleven. Geen shortcuts, geen algoritmes, gewoon helemaal luisteren, voelen en vooral meedoen.
De documentaire voelt als een masterclass, maar dan verteld door de bandleden zelf. En ja, ik werd er zachtjes nostalgisch van. Er wordt wel eens gezegd dat nostalgie verlangen is naar een tijd die mooier lijkt dan hij was — en misschien klopt dat ook. Toch zette het me aan het denken. Is het nou écht zo erg dat er tegenwoordig doelbewust samengestelde tribute-bands bestaan, zoals bij The Tribute: Battle of the Bands?
In de jaren ’60 en ’70 draaide het in rock, country, blues en folk om songs, karakter en road-credibility. Nu lijkt de vraag vaker: welk format werkt goed? En eerlijk — wat is daar eigenlijk mis mee?
En ergens tussen die talentenshows door dacht ik ineens: hoe lang nog tot we kijken naar “The Icons: AI — The Tribute League”? Misschien klink ik nu een tikje visionair, maar ik denk echt dat AI binnen vijf jaar rechtstreeks onze muzikale erfenis binnenwandelt. Mét perfectie. Maar zonder kleerscheuren en littekens.
En dan zit ik op Oudejaarsdag met een oliebol in mijn hand, denk terug aan Bonham, zwetend achter zijn drumstel. Echte mensen. Echte adem. Echte ruis. En ja — dat geeft toch een andere return on soul.