Ga naar de inhoud

Vaders, zonen en de klank van herinnering

Nee, geen review, lees daarvoor de dagbladen, daar heb ik niets aan toe te voegen. Op het veld, redelijk dicht bij het podium met aan weerskanten een scherm om, niet met het blote oog waar te nemen, details toch te kunnen zien, sta ik met mijn zoon te wachten op de man, waar hij van kinds af aan een zwak voor heeft. “Eens kijken wat het worden gaat” zijn de (vrij vertaalde) woorden van de man als hij opkomt met zijn band.

Ik denk niet terug aan de dag dat mijn kofferpick-up de geest had gegeven omdat ik, na een nacht werken bij het draaien van ‘Harvest’, in slaap gevallen was. Een brandlucht, die was ontstaan doordat de lp niet afsloeg, maar door bleef draaien, wekte mij. De boel was doorgebrand. Ik denk niet terug aan mijn ‘herontdekking’ van de man, nadat ik jaren geen aandacht aan hem had besteed. Ineens greep ‘Zuma’ mij bij de lurven en heb ik in één avond/nacht al zijn voorafgaande albums gedraaid.

Met graagte, omdat ik voel dat er altijd een maar is, lees ik de negatieve recensies over bijna elk nieuw album, hoor ik er ‘volgelingen’ vol afschuw over praten, hoewel ze het betreffende album wel hebben aangeschaft. Het ‘volgeling’ zijn, heeft mij altijd een beetje bevreemd. Er lijkt een ongeschreven competitie tussen ‘volgelingen’ te bestaan. “Hoe vaak heb jij hem gezien? Nou, nou dat zijn er nogal wat, maar ik heb hem twee keer in Amerika zien optreden op festival zus en zo en in het dat en dat stadion”. De moeilijkst te volgen ‘volgelingen’ vind ik de ‘tijdens het concert wetenswaardigheden uitwisselaars’. De elkaar toeschreeuwende brothers (dat zijn het meestal) in music. Ze knikken verwoed naar elkaar, maar hebben er niets van verstaan, verstoord door het volume waarop hun geliefde muzikant aan het spelen is.

Mijn zoon en ik staan in het stadspark van Groningen te luisteren naar Neil Young en ineens krijg ik het gevoel: waarom sta ik me vrij van wat dan ook te voelen, waarom mag dit van mij nog uren duren. De vraag hoe goed hij is, hoe goed zijn medemuzikanten zijn is een vraag die nergens in mij opkomt. Naast mij staat mijn zoon zich ook zo te voelen. Dat zie ik, daar hoeven we niets over te zeggen tegen elkaar en na de laatste uitgesponnen overdonderende pakkende geluidsmuur zijn we even stil. Dan gaan we los: “zo! nou zeker!”.

Nu, twee dagen later denk ik wel aan mijn pick-uppie en aan de herontdekking van ‘Neil Young’. Er is wat ruimte voor gekomen in het brein. Ook voor het doen van een dagelijkse boodschap en het schrijven van dit stukje.