Met het overlijden van Jan Donkers verliest Nederland niet zomaar een journalist of radiomaker, maar een van de laatste echte gidsen binnen de wereld van rootsmuziek, Americana en alles wat daar tegenaan schuurt.
Donkers bewoog zich al in de late jaren zestig op het snijvlak van popcultuur en journalistiek, toen hij voor de Volkskrant begon te schrijven over popmuziek — in een tijd waarin dat nog nauwelijks serieus werd genomen. Hij sprak legendarische artiesten als Frank Zappa, John Lennon en Janis Joplin. Maar belangrijker: hij luisterde, zonder filter, zonder agenda.
Op de radio, jarenlang verbonden aan de VPRO, vond hij misschien wel zijn meest natuurlijke vorm. In programma’s als Sunday Morning Coming Down en Gonzo’s Return creëerde hij ruimte die vandaag vrijwel verdwenen is: traag, verdiepend, en compromisloos in smaak. Geen formats, maar verhalen. Geen playlists, maar context.
Juist Sunday Morning Coming Down groeide uit tot een ankerpunt voor liefhebbers van Americana, country en rootsmuziek. Het was een programma waarin muziek niet werd ‘gedraaid’, maar geplaatst — in tijd, in traditie, in betekenis.
Misschien zat het daar al in: die zondagochtend als ritueel. Want het zondagmorgenontbijt na het Take Root Festival met Jan Donkers en Hubert van Hoof voelde hetzelfde. Geen haast, geen ruis — alleen verhalen, muziek en aandacht. Het was altijd een warm bad. Nu ze er allebei niet meer zijn, besef je pas wat daar eigenlijk gebeurde.
Donkers bewoog zich niet op afstand, maar er middenin. Hij maakte zelf de Cayamo Cruise mee — een drijvend epicentrum van de internationale Americana-scene — en wist die ervaring tot in detail over te brengen. Niet als opsomming, maar als beleving.
Toen het idee ontstond om die reis zelf te maken, was het Donkers die het plaatje compleet maakte: van de sfeer aan boord tot de onderlinge dynamiek tussen muzikanten en publiek, van de eindeloze sessies tot de onverwachte ontmoetingen. Hij bracht het terug tot waar het voor hem altijd om draaide: muziek als gemeenschap, niet als industrie.
In dat soort kruisverbanden werd duidelijk wat Donkers’ rol was: geen poortwachter, maar een verbindende kracht binnen een internationale, vaak onderbelichte muziekgemeenschap.
Wat hem onderscheidde, was niet alleen zijn kennis, maar zijn houding. Hij bleef wars van hype en scherp op de inhoud. Zijn liefde voor de Verenigde Staten — een land dat hij intensief bereisde en beschreef — kantelde na de Irakoorlog naar een kritische distantie. Dat leverde geen simplificaties op, maar gelaagde verhalen, gevoed door ervaring.
Voor de roots- en Americana-scene in Nederland betekende Donkers iets fundamenteels: legitimiteit. In een tijd waarin de NPO nog ruimte bood voor verdieping, was hij een van de stemmen die het genre niet alleen draaide, maar ook duidde — en daarmee een publiek vormde.
Bij Real Roots Café herkennen we dat als geen ander. Zijn werk liet zien dat muziek meer is dan entertainment; het is context, geschiedenis en identiteit. Een verhaal dat verteld moet worden door mensen die weten waar ze het over hebben.
Jan Donkers had zo’n stem — letterlijk en figuurlijk. Geen stem die zich opdrong, maar een die bleef hangen.
En dat laatste is precies wat blijft…