Het is een kwestie van gemoeds(on)rust dat gruizige blues mij intens bij de lurven kan pakken. Zit ik net in zo’n bui, komt vrij onverwacht Chris O’Leary voorbij. Het album luisteren dus en mij verwonderen over het verhaal van de heer O’Leary.
Zijn wieg stond in 1968 in New York. Iers-Amerikaans met veel muziek in de familie. Zijn vader is zanger en gitaarspelende ooms ontbreken ook niet in de familie. Veel variatie, ook van Springsteen tot polka’s, vertelt O’Leary in een interview. Het album ‘Hard Again’ van Muddy Waters staat bij papa in de kast. James Cotton speelt er mondharmonica op. Het begin van zijn liefde voor de blues en dat instrument. Cotton op zijn beurt is geïnspireerd door Sonny Boy Williamson en zo leeft dat eigengereide, handzame instrument, de mondharmonica, steeds door in de blues. Op zich al een koestering waard. O’Leary gaat na zijn middelbare school in 1986 in dienst, bij het Korps Mariniers, een traditie in zijn familie. Hij komt in de Golfoorlog terecht. Wat hij daar meemaakt, is een van zijn inspiratiebronnen. Voor zijn solocarrière is O’Leary frontman van de band ‘Barn Burners’ van Levon Helm (ex-drummer van The Band). Niet hij, maar wel zijn stem raakt over zijn toeren en om brood op de plank te houden is hij enige tijd federaal politieagent. Weer een inspiratiebron rijker. “Ik heb een waanzinnig leven geleefd”, laat hij zich in een interview ontvallen. Elke keer duikt hij de muziek weer in en maakt in 2010 zijn eerste album met een eigen band, ‘Mr. Used To Be’.
‘Blue Collar’ is zijn zesde bandalbum met zelfgeschreven songs en laat zich omschrijven als een blues-plusalbum. O’Leary laat namelijk Chicago, Louisiana, boogiewoogie, soul, funk niet onberoerd. Op toerbeurt, maar ook als smakelijke mix. Songs zijn geboren uit eigen (levens)ervaringen, maar vanuit verschillende invalshoeken bekeken. Spot, humor, vingertje en (vermeende)waarheden bevolken zijn verhalen. ‘Bad Decisions’ is als stampende blues-boogiewoogie een heerlijke binnenkomer. Het is een opsomming van zijn vaak impulsieve en rauwe ondernemingen, waar een lesje uit te trekken is. De blues op ‘Lady Luck’ is volledig gevuld met een keur aan instrumenten. O’Leary’s mondharmonica scheurt gruizig de bochten door, een gitaarsolo doet op niet mis te verstane wijze van zich spreken, het soulkoortje swingt over de basisakkoorden onder de ultieme bluesstem van onze bluesicoon. Ja, ik kom er lekker in. De razendsnelle aanslagen op de piano en de jagende, jankende gitaar op ’One More Cup Of Coffee’ doen mij verlangen naar een stop op de hoeveelheid van dit goddelijke drankje. Met een grote glimlach hoor ik het 50erjaren mannelijke backingkoortje het titelrefreintje meezingen. De slowblues van ‘Nothing But A Memory’, het tipje Latin op ‘One Way Street’, de accordeon op ‘Live Baby Gators’, de prachtige klassieke langzame bluesjazz op ‘How’d I Ever Get Along?’, het zijn stuk voor stuk onderscheidende songs. Op ‘Daddy Was A Wolfman’ typeert O’Leary een stukje van zijn achtergrond. Met zijn rauw verhalende, soms bijtende stem, en zijn harmonicaspel in het verlengde daarvan is het een geëigende mooie midtempo-afsluiter van het album.
Om dit album als een heerlijke bluesdouche te ondergaan, hoeft het niet precies aan te sluiten bij je gemoedstoestand. Het kan je er ook inbrengen.