Ga naar de inhoud

Bill Callahan, My Days Of 58

Bill Callahan, My Days Of 58Nadat ik met ‘A River Ain’t Too Much to Love’, het laatste album van Bill Callahan onder de naam ‘Smog’, in aanraking kwam, heb ik in sneltreinvaart de ladder terug in de tijd genomen om alle tien voorgaande albums in mijn muziekkast te zetten. Wat een heerlijkheid om ze dan te gaan luisteren. Het is daarna niet meer opgehouden. Onder zijn eigen naam volgen nog zeven albums en elke keer als zijn naam opduikt, is er weer een opmerkelijk album verschenen (of een song meegezongen met een andere artiest).

De Amerikaanse singer-songwriter Bill Callahan moet op 3 juni van dit jaar zestig worden. Van de eerste achtenvijftig heeft hij er toch zo’n drieënveertig aan muziek maken besteed. Op cassettebandjes en in 1990 zijn eerste album. Experimenteel, underground, traag bijtend atonaal, vol potentie, een steeds donkerder wordende stem en een groei naar pakkende melodieën. Met het genoemde ‘A River Ain’t Too Much to Love’ uit 2005 heeft Callahan een parel gemaakt. Dit album mag inmiddels een klassieker genoemd worden. De gebeurtenissen in zijn leven vormen de rode draad in zijn oeuvre. Van weemoed over een verbroken relatie en jeugdervaringen tot vreugde over het huiselijke leven en het vaderschap, de reden van zijn bestaan en de dood. Callahan duikt er diep, vaak onheilspellend, in en bedient zich muzikaal van een indringend samengaan van americana, poëzie, sferische klanken, spetterende composities en humoristisch spottende deuntjes.

‘My Days Of 58’ is met twaalf songs een nieuw hoogtepunt. Als zijn prachtige bariton de beginregel: “Driving to the dark” van ‘Why Do Men Sing’ begint te zingen met een paar gitaarakkoorden als begeleiding, dan is dat slechts een aanzet. De song breidt zich tekstueel en muzikaal steeds breder uit tot een angstige slotconclusie. ‘The Man I Suppose To Be’ met een dromerige aanvang, stelt dat vanaf nu echt gaan leven het doel is waar hij naar streeft. Dan neemt ook de angst toe of dat wel zal lukken. De muzikale omlijsting is indrukwekkend; de stemmingswisselingen in de tekst worden kracht bijgezet door krachtige aanslagen, snerpende gitaar, blazer en een uitwaaierend bandgeluid. De aangrijpende (veel voorkomende) relatie met zijn vader bezingt Callahan in ‘Empathy’. Met akoestische gitaar en mild geblazen blazers is de tekst: “Dad, I’m just like you/Although they’re in the middle/I added these lines last/I don’t know if they’re true”, veelzeggend zonder antwoord. Bitterspottend is ‘Computer’. De overwegingen bij het verschijnsel computer lardeert Callahan met willekeurige computergerelateerde geluiden, gespeeld op gitaar en sax. Leeft hij of is hij een robot? Heerlijk dat ook de autotune aan bod komt als een vloek voor de mensheid. Eindigend met ‘The World Is Still’ lijkt er een berusting te zijn na alle opgeworpen vragen zonder antwoorden. De schoonheid van het afvragen. Een song gehuld in nevelen, nergens naartoe in het besef dat er meer doorgaat dan alleen jezelf.

Prachtig zijn de uitgesproken melodieën, vaak in een stroom van geïmproviseerde sferen en met krachtige muzikale benadrukking van tekst en accenten. Kalm glijdend, soms uitmondend in stilmakende apotheosen. De eerste knop waar in onze hersenpan aan gedraaid wordt, is Callahans stem. De diepte daarvan en de horizontale manier van zingen maken dat dit album niemand zou mogen ontgaan.