Het in mijn ogen meest melancholieke geluid is de roep van de wulp. Een vogel die symbool staat voor mijn ultieme thuis. Daar waar een halve eeuw geleden verlatenheid en het einde van de wereld mij gelukzalig deden zijn, moet ik nu met de ellebogen tussen de toeristen door een poging doen de curlew’s cry te horen.
Een behoefte aan mild klinkende Ierse folk drong zich een paar dagen geleden aan mij op, dus zocht ik Dick Gaughan en Christy Moore weer eens op. Zij verstaan de muzikale taal van de melancholieke folksong, soms wat over de top melodramatisch, maar met een oprecht zoeken naar vervolmaking. Het is heerlijk om te ontdekken dat er toch steeds weer generaties zijn die de folkdraad weer oppakken. In Ierland is daar geen gebrek aan. Een enorm spectrum aan folk-interpretaties spreidt zich over het land, en met regelmaat daarbuiten, uit. Van groepen als Lankum tot muzikanten als Barry Kerr.
Barry Kerr woont in Connamara. Een ruig, schilderachtig gebied aan de westkust van Ierland, dat ik nog ken uit de tijd dat een deel van de bevolking diepe armoede kende en het kleurrijke toeristenplaatsje Clifden nog een grauw, armoedig, maar gastvrij plaatsje was. Zo’n twintig jaar treedt Barry Kerr op als singer/songwriter/multi-instrumentalist, met de uilleannpipe en fluit als grote liefdes. Het instrumentale ‘Cairn’ uit 2020 getuigt daarvan. Zijn albumdebuut beleeft Kerr in 2011 met eigen folksongs op ‘The World Looks Away’. Steeds op zoek naar vormen waarin hij zijn folkmuziek giet, maakt Kerr op latere ep’s en albums arrangementen en songs voor verschillende oude en hedendaagse instrumenten.
Op ‘Curlew’s Cry’ laat Kerr de uilleannpipe en fluit liggen. Gitaren, bouzouki, spaarzame toetsen, bodhrán en zijn zang vormen de basis. Op de titelsong wordt de letterlijke roep van de wulp overgenomen door een diepe, mysterieuze drone en hoge, ruimtelijke klanken. Samen met zijn warme, verhalende stem en Ierse uitspraak is het een schoonheid van een beklemmende, krachtige song. De Engelse traditional ‘The Snows They Melt The Soonest’ is in mijn oren een onvergetelijke veel gespeelde song. Met zijn ijzersterke melodie is het in de jaren zeventig tijdens de folkopleving in die periode op heel wat albums de kernsong. Met alleen akoestische gitaar een kleine, maar rake uitvoering. Het oude wiegeliedrefrein ‘seoithín, seothó’ verwerkt Kerr in ‘Lullaby for A Lost Child’. Palestina ligt ten grondslag aan dit aangrijpende lied met een heel fraaie, kalme elektrische gitaar over de akoestische grondakkoorden en achtergrondzang van Pauline Scanlon. Het verlangen naar eenvoud, het verlangen naar puurheid en misschien wel het verlangen naar een jeugd die nooit bestaan heeft, dat is het lied ‘The Holy Ground’. Een eiland als Ierland met haar beladen geschiedenis en haar schitterende natuur geeft nog steeds veel stof tot nadenken over hoe we onze aarde overspoelen met een enorme hoeveelheid overbodigheid.
Acht eigen songs en twee traditionals die naadloos in elkaars verlengde liggen, alsof Kerr al eeuwen songs maakt, maar zodanig dat ze toen en nu bepaald niet van gisteren zijn. En de wulp? Zij staat symbool voor het grensgebied tussen verdriet en verlangen. Dat maakt Kerr’s album zo warm weemoedig.