Ga naar de inhoud

Andries Boone, Rhagium Inquisitor 

Altijd weer een verrassing als het Belgische label Trad Records een album van een van hun muzikanten het daglicht laat zien. Een ding is dan zeker: het is een album van een virtuoze muzikant of band met wortels in de folk. Dit keer Andries Boone. Het vierde album onder zijn eigen naam na de schitterende trilogie ‘C.O.L.O.R.S, T.I.M.E.L.A.P.S.E en C.O.N.V.E.R.S.A.T.I.O.N.S’.

Andries Boone (1977) multi-instrumentalist, componist, arrangeur, bandlid, docent-begeleider en vrijwel al het andere op muzikaal gebied. Zijn vader leidt het volksmuziekorkest voor jongeren ‘Polka Galop’. Twaalf jaar is hij als hij daarin gaat spelen. Tot zijn achttiende, als hij de folkrockband ‘De Architecten van de Toekomst’ opricht en ook in de jazzband ‘Playmobiel’ gaat spelen. Hij duikt overal en nergens op als meespelend muzikant en staat op tientallen albums van derden vermeld. Met ‘The Ballroomquartet’ experimenteert hij met vervorming van klassieke folk-instrumenten. Met de groep ‘MANdolinMAN’ maakt hij bewerkingen van folkmuziek uit de eigen streek, soms klein, soms orkestraal, altijd spannend. Meer weten? Onderzoek deze man en zijn schatkamer met muziek.

‘Rhagium Inquisitor’, op zijn Vlaams/Nederlands de ‘geribbelde dennenboorder’, is een onder de schors van naaldhout levende boktor. Onderhuids dus, en daar kruipen de muziekstukken van dit album regelmatig. Dat komt door de altijd aanwezige zwierigheid van de, in dit geval West-Europese en Scandinavische, folkmuziek. Het kan je meenemen in een verhaal zoals met ‘Galium Aparine’ (kleefkruid), een snarig muziekstuk dat zodanig rondspeelt dat je er aangenaam “transdraaierig” van kunt worden. Elk stuk heeft overigens een wetenschappelijke naam van een vogel, insect, reptiel of plant. Het lijkt alsof Boone’s muziek daarop verder evolueert, hij houdt het niet bij het takje, de boom of het insect, maar vliegt uit, zwemt door, zweeft weg en haalt er elementen bij. Naast verschillende soorten violen en doedelzakken, de mandoline, akoestische gitaar, accordeon en mondharmonica zijn de sax, hoorn, percussie, bas, elektrische gitaar, synths en elektronica te horen. De synthklanken stammen uit een periode die ik op zijn zachtst gezegd, onplezierig vind. Maar op dit album gebeurt er iets wonderlijks mee. Direct in het eerste stuk ‘Phoenicurus Ochruros’ hoorbaar. De synth wordt als het ware geneutraliseerd door de blazers, maar maakt wel deel uit van een rijk klankpalet. De melodie is als de ‘zwarte roodstaart’ zelf. Verrassend vanzelfsprekend. De Belgische doedelzak opent ‘Polska Merodensis’ de dans in het bos. Langzamerhand lijken mysterieuze klanken het bos in bezit te nemen, maar we dansen door en heroveren. In het titelstuk kruipt de boktor onzichtbaar onder de schorsen van de doden. Met een lichte oosterse klankkleur en een elektronische fonkeling van misschien wel de vuurvlieg. Het kleine ‘Anemone Nemorosa’ lijkt het zwaar te hebben onder de stammen van het bos. De bomen buigen zich over de weelderige witte anemoontjes, maar misschien zijn zij onder in dat overweldigende bos het witte kleed dat uiteindelijk licht komt brengen. Fraai jazzy mondharmonicaspel is te horen op ‘Lamprohiza Splendidula’. De afsluiter ‘Viscum Album’ lijkt een stalenkaart van het door Boone en zijn zes medemuzikanten gebruikte instrumentarium. Een bosatlas van alles wat ‘Rhagium Inquisitor’ tot een ongebruikelijk tien-stukken bezittend album maakt.

Gewaagd ook, want de gekozen combinaties kunnen vergezocht uitpakken. Boone weet wat hij wil en doet, gaat niet over een nacht ijs bij het componeren en is gewoon heerlijk op zoek naar wat hij met folkmuziek kan doen en durft.