Ga naar de inhoud

Quinie, Forefowk, Mind Me

In Schotland bruist het van folkmuzikanten. Muzikanten die zoeken naar hun verbondenheid met het landschap, tradities en de mensen die ze voortgebracht hebben. Zeker niet nationalistisch, maar diepgravend naar drijfveren en zoekend naar nieuwe vertalingen van de soms ondoorgrondelijke mystiek van het oude Schotland.

Quinie (jonge vrouw) oftewel Josie Vallely is zo’n zangeres-muzikant uit Glascow. Ze omhelst in 2015 aanvankelijk het onbegeleide Schotse lied. Moeder-zangeres Jeannie Robertson en traveller-zangeres Lizzie Higgins zijn inspiratiebronnen. Rondreizend zingend of achter het fornuis met een geblokt schort voor, komen de songs als vanzelf. Beide zangeressen hebben ze vastgehouden en dochter Quinie heeft ze verzameld, beluisterd, zich erin verdiept en is ze gaan zingen. Gaandeweg niet alleen meer zonder begeleiding, zoals op haar eerste titelloze album uit 2017, maar, op haar tweede album ‘Buckie Prins’ in een meer experimentele vorm ruimte gevend voor interpretaties, improvisaties en eigen composities op poëzie van dichteressen van voor haar tijd. Dat mondt nu uit in ‘Forefowk, Mind Me’.

Als onderdeel van het album maakt Quinie met haar paard Maisie, hond Toad, kunstenaar Dominique Rivard en filmmaker Lizzie MacKenzie een wandeltocht. Ze maken een geïllustreerd boek en een korte film waarin de relatie en afhankelijkheid tussen voorouders, mensen, dieren en verblijfplaatsen in woord en beeld worden gebracht. Een sfeertreffend project dat muzikaal begint met ‘Col My Love’, een doedel-drone met een langzame uitgesponnen zang. Direct is duidelijk dat Quinie’s stem de unieke, door haar nog iets aangezette rauwheid heeft die het Schotse lied eer aan doet. De song cirkelt fors door je brein, maar het verhalende onbegeleide ‘Bonnie Udny’ brengt milde zachtheid. Ik moest het even opzoeken, maar de duduk is een hobo uit het Armeense. Het brengt warmte in ‘Sae Slight a Thing’ dat door de indringende pipes een scherpe horizon laat horen. Intrigerend experimenteel is ‘Auld Horse’. De gesproken poëzie met een stromend beekje op de achtergrond, de invallende huilende contrabas tegen atonale klanken maken dat het een diep voelend kleinood is. Fantastisch zwaar en ontregelend melodieus is het gedicht ‘Health, Waelth A Yer Days’. Muziek van de rondtrekkende reiziger. Met ‘Sallow Buckthorn’ bereikt Quinie een atonale gang langs de Schotse kust. Zonder de, deels improviserende, Ailbhe Nic Oireachtaigh (altviool), Oliver Pitt (duduk, bouzouki, percussie), Harry Górski-Brown (small pipes, viool) en Stevie Jones (contrabas, opname en mixage) zingt Quinie haar slotlied ‘Craigie Hill’ met de ogen dicht, ademloos beluisterd door de mensen die verspreid over het immense heuvelland hun werkzaamheden onderbreken, verrast door het verhaal dat vanuit de verte naar ze toegekomen is.

Zo’n klein album voor ogenschijnlijk een kleine kring Schotse luisteraars die het Schots machtig zijn kan zomaar een groter publiek bereiken zoals de Ierse folkgroep Lankum heeft laten zien. Wees er op voorbereid en luister je vast in met dit heerlijke album.