Tré Burt, You, Yeah, You

Op 22 juli 2020 schreef Jarl van Meeteren in zijn review: Dit is een fantastisch verhaal over toevalligheden dat tot een bijzonder album heeft geleid en voorlopig eindigt met een grote beloning voor de muzikant en de luisteraar. Hij had het over het debuut album “Caught It From The Rye” van Tré Burt. Ruim een jaar later kreeg ik ´You, Yeah, You´ onder oren.

Ik raad iedereen aan de review van Jarl te lezen maar toch even in het kort: Tré Burt komt via zijn opa en broer in aanraking met de muziek van zowel muzikanten als Otis Redding, Marvin Gaye en Nina Simone als Bob Dylan, Neil Young, Townes van Zandt en John Prine. Na een jaartje studeren komt hij tot de conclusie dat muziek maken op straat hem veel meer maatschappelijke kennis oplevert dan de collegezaal. Duizend dollar; dat werpt een voorbijganger in zijn pet. Hij koopt een auto, gaat rondreizen en speelt in bars en pizzatenten. Auto kapot, geld verdienen als monteur om de reparatiekosten te betalen maar houdt er een  huis in Portland aan over. Vijf jaar songs schrijven en door de liefde naar Australië gedreven. Dat loopt stuk en gebrekkig gehuisvest gaat hij door met songs schrijven. Een EP is het resultaat. Terug in Amerika neemt hij in 2018 op eigen kosten zijn debuut op en zet het op internet. Dat loopt niet tot hij wordt ontdekt door Jody Whelan van de platenmaatschappij van John Prine “Oh Boy’s”. “Caught It From The Rye” wordt opnieuw uitgebracht. Een prachtig akoestisch album vol verhalen met (bijna) alleen gitaar en zijn jonge-oude doorleefde stem.

Voor “You, Yeah, You” uitkomt maakt Tré Burt met medewerking van Sunny War, Leyla McCalla en Allison Russel de singel “Under The Devil’s Knee”. Het leven en sterven van George Floyd op een glasheldere aangrijpende manier verteld. De worsteling van een man die opkomt maar bij voorbaat gedoemd is ten onder te gaan en daarmee symbool staat voor de racistische ellende in de VS.

Jij, Ja, Jij: een even korte als direct aanwijsbare titel. Het twaalf songs tellende album heeft grofweg eenzelfde tekstuele sfeer als zijn voorganger maar uitgebreid met een semi akoestisch instrumentarium en een enkele keer backing vocals. Ik moet zeggen dat sommige songs daarmee wat aan kracht inboeten ten opzichte van zijn voorganger waarop hij meer de troubadour is die zijn teksten al zingend voorziet van een zanglijn. Opener “I Cannot Care” is een, door vrij dominante backing vocals en iets te overdadig arrangement met strijkers, een wat te glad gestreken countrysong. Andere songs komen juist verrijkt uit de verf. “Carnival Mirror” is daar een mooi voorbeeld van evenals “Funny Song”. “Ranson Blues” is muzikaal een uitgesproken country-blues song met saloonpiano. Dat geeft mij iets teveel de sfeer van: “we doen net als toen” terwijl “Me Oh My” met een meer doordenderende bijtende toon, hoekig gespeelde piano, drums en mondharmonica juist sterker uit de verf komt dan als het alleen met gitaar begeleid zou zijn. Voor “Bout Now” gaat dat zeker ook op. Oude Hammond klanken. Heel mooi is het ijl gespeelde “Sammi’s Song”. “Sweet Misery” is een heerlijke licht melancholieke bijna klassieke “verteldeiner” met gitaar, piano, drums en mondharmonica. “Solo” grijpt op een prettige manier het auditieve deel van het brein door de sterk vertellende zanglijn met naast de akoestische gitaar prachtige eenvoudige elektrische gitaarklanken en een doorlopend toetsengeluid. “Tell Mary” sluit het album af met een verloop van spannende gitaarklanken naar een bijna geharkt gitaarspel zoals dat op menig straathoek gespeeld zou kunnen worden. De cirkel is rond. Tré Burt blijft verhalen vertellen waarin hij aan zijn brein ontsproten personages levens meegeeft die zowel dagelijks als beschouwend zijn. Een muzikant-schrijver die gewoon iets heel speciaals doet door op overtuigende wijze eigen muziek te maken in de traditie van de Amerikaanse ras vertellers. Hij laat ze niet vergeten. Ik zie flink wat sterretjes onder deze review.