Oliver Wood, Always Smilin’

Met “The Wood Brothers” maakt Oliver Wood, broer Chris en Jano Rix vanaf 2006 tot nu een achttal albums. Chris op bas, Oliver zang en gitaren. Jano op alles wat bijdraagt aan een complexer geluid. Soms heb je van die muziek waarvan je kunt zeggen dat het vrij gewoontjes klinkt maar een dusdanig bijzondere toonzetting bevat dat het onmiskenbaar alleen die ene groep of muzikant is die zo klinken kan. Zo ook “The Wood Brothers”.

Ik heb gezocht naar wat dat dan is. Woods ouderwetse rockende hoge zang met een duidelijk randje? Het veelal prominent aanwezige bas spel van de andere Wood? De inzet van wat toetsen hier en daar, een rijke variatie aan snaarinstrumenten, percussie als derde solo-instrument? Die combinatie moet het zijn. De songs zijn soms rockend, soms semi-akoestisch, of deinend gospelachtig met boogie, jazz en blues in de nabijheid. Kortom altijd beïnvloed door vrijwel alle in Amerika voorkomende muziekstijlen. In die zin folk in de breedste zin van het woord. Eigenlijk kan dat ook niet anders als je bent opgegroeid in Colorado. Een vast, in elke song terugkerend, gegeven is: speelplezier. Dat spat er vanaf.

Voorafgaand aan “The Wood Brothers” richt Oliver “King Johnson” op. Een band waar R&B, funk, jazz en blues het klankbeeld bepalen. Deze periode neemt Oliver duidelijk mee op zijn soloalbum “Always Smilin”. Wat je hoort is dan ook een nog breder scala aan muzikale invloeden dan de voorgaande bands zich lieten welgevallen. De instrumenten buitelen in een aantal songs over elkaar heen. De opener “Kindness” zet de toon. Oliver heeft geen zin in zwartgalligheid maar ook niet in plat plezier, hoop in het goede in de mens blijft over. Een song waar heel veel muziek in zit. “Roots” is een mooie bluesy song waarin gebeurtenissen uit het verleden, hoe hard ook, je leiden naar inzichten en geluk in het heden. In “Get the Blues” wordt een gospelsong door blazers opgetuigd, versterkt en naar een apotheose geleid. Heel fraai is het kalm rauwe gitaarspel op “Came From Nothing”. “Molasses” is een krachtig gespeelde en gezongen slow-countrysong. “Fine Line” wordt van sfeer voorzien door een traditioneel bespeeld Hammond orgel. Deinend met een sterk refreintje. Ik vind de cover “The Battle Is Over (But The War Goes On)” een song die mooi in overeenstemming met de songtekst wordt gespeeld. Traditioneel van opzet op een beproefde gospel-blues manier. “Soul Of This Town” is wederom een typerende smeltkroes van stijlen en instrumenten zoals een stad kan zijn. Een heel mooi klein liedje is “Unbearable Heart”. Een liedje wat mij doet opveren. Een eenvoudige “blues traan” bij de laatste stralen van de zon met alleen gitaar-bottleneck. Elf songs, grotendeels door Oliver geschreven soms in collectief met alle betrokken muzikanten gemaakt en een enkele cover.

Als ik zit te luisteren naar dit en ook de andere albums waar Oliver Wood bij betrokken is weet ik het niet zo goed. Zijn muziek en ook dit album is zeker onderscheidend en verrassend op momenten. Met name door het elektrische gitaarspel van Oliver en onverwachte wendingen in de composities. Toch kan het album mij niet raken en blijft het bij een “lekker album”. Lang niet gek en ik denk voor menig ander een “ Americana hoogtepunt”.