Matt Sweeney and Bonnie ‘Prince’ Billy, Superwolves

In 2005 maken (sessie) gitarist Matt Sweeney en  “veelschrijver” Bonnie ‘Prince’ Billy (het alias van Will Oldham) het album “Superwolf”.  Over Will Oldham heb ik onlangs in de review over zijn album “Hello Sorrow/Hello Joy” geschreven dat hij een muzikant is met als handelsmerk zijn onvaste stem en de, in stijl zeer wisselende, grote hoeveelheid muzikale producten. Een muzikant ook met evenzoveel schitterende songs als bijna dubieuze composities met bijtende, humorvolle, sombere, verwarrende of zoetgevooisde teksten en evenzoveel atonale composities als schitterende melodielijnen. Folk music is, hoe diffuus soms ook, vrijwel altijd aanwezig. Eén van zijn meest bejubelde albums “I See A Darkness” zal een aantal lezers zeker niet ontgaan zijn.

Matt Sweeney is een man die, naast een periode actief te zijn in de alt-rock hoek met groepen als “Skunk”, Chavez” en “Zwan” , met een ongekend aantal muzikanten speelt en/of aan albums meewerkt. Van Iggy Pop tot Adele tot Johnny Cash. Een welhaast zwervend muzikaal bestaan en veelgevraagd omdat hij (maar dat is mijn interpretatie) over een sterk invoelend muzikaal vermogen beschikt.

De zwervende Sweeney en de sombere van zich af zingende Will Oldham spelen al langere tijd regelmatig samen maar vinden elkaars gelijken in “Superwolf” een album dat naar mijn idee op zijn beurt zijn gelijke niet kent. Oldham schrijft de teksten en Sweeney componeert, de tekst interpreterend en aanvullend, de melodielijnen. Hij is uitermate sfeerbepalend in hoe de songteksten hun werk doen bij de toehoorder. Met links en rechts summiere maar soms ook explosieve toevoegingen van basgitaar, percussie, en nord lead zijn het bovenal kleine indringende semi akoestische en elektrische gitaarsongs die ze samen zingen en spelen. De poëtische teksten zoeken naar erkenning. Ze gaan over: naar je toehalen en afstoten, de kern van wat liefde zou kunnen zijn, hardheid, teleurstelling, onbegrip, somberheid en de dood. Teksten vol tegenstrijdigheden die je soms doen denken: waarom zeg je dat nou, je was er bijna en nu breek je het weer af. Wellicht ook een flinke mate van arrogantie. Bloedstollend en bloedstollend mooi tegelijker tijd, dit album.

Beide heren gaan hun eigen muzikale weg maar spelen van tijd tot tijd samen. Het elkaar aanvullen blijft bestaan en vanaf een jaar of vijf geleden werken beiden aan een vervolgalbum. De werkwijze is ongewijzigd. Oldham schrijft teksten, Sweeney lijnt de muziek uit. “Superwolves” wordt geboren. Het album is in één adem na “Superwolf” te beluisteren. De in zuiverheid toegenomen zang van Oldham brengt een lichte oorspitsing te weeg. Na de enorme hoeveelheid albums die hij in de tussenliggende tijd heeft gemaakt lukt het hem minder goed semi vals te zingen. Veertien songs waarvan twee covers. De folksong “I Am A Youth Inclined To Ramble”  van Paul Brady en de American folksong “There Must Be A Someone” van de Gostin Brothers.  De manier waarop Oldham en Sweeney deze songs interpreteren straalt een prachtige vanzelfsprekendheid uit in de zin van: “we spelen van  alles en het wordt gewoon van ons”. Van een andere folk orde is “Hall Of Death” een song waarop Toeareg-gitarist Mdou Moctar vingervlug op gitaar het uptempo bepaalt. Niet het meest fraaie nummer vind ik. “My Popsicle” is daarentegen een zoetgevooisde song opgedragen aan zijn kleine dochter met een heel mooie gitaarlijn en de vraag hoe zij op het liedje terugkijkt als hij er niet meer mocht zijn. “Make Worry For Me” is een  song waar de dreiging vanaf spat. De kalm gezongen tekst wordt op het hoogtepunt door een luid krassende gitaar omgeven. Een fantastisch opgebouwde song.  “God Is Waiting” pak ik er tussenuit omdat het een heel typerende song is voor de werkwijze van Oldham en Sweeney. Een schurende tekst over een vrouw en de weg naar haar dood. Vrij hoog gezongen als een ballade, soms volgt de gitaar de zanglijn en zet deze lijn door ondanks dat de zanglijn verschuift. Een baslijntje als de melodie omlaag gaat en een zacht rauw gitaarrandje als de octaven stijgen. Op “Shorty’s Ark” soleert Sweeney als voor de vuistweg met gitaar effecten om een folkachtig duet heen. “Watch What Happens” is een melodieuze song met een kleine dissonantie in het gitaarlijntje. “Resist The Urge” heeft een country folk inslag en is qua zang, bas, gitaar en backingvocal helemaal in evenwicht. “My Blue Suit” heeft een prachtige naar de UK lonkende gitaarlijn. Een song over verwisseling en vergelijk. “My Body Is My Own” is een ontroerend breekbaar gezongen lied met een lichte jazzy inslag.

De kracht van “Superwolves” ligt in het gegeven dat het een van elk genre losgezongen folkalbum is. Een prachtig vervolg op “Superwolf” De kwetsbare arrogante kunstenaar, de poëet, de visionair met zijn bizarre vaak sombere inslag en de gitarist die dat verstaat en muzikaal onderschrijft. Samen uitgevoerd en her en der ondersteunt met bas, slagwerk en toetsen.