Partington & Sweeney, Commonplace

De schijf draait. Keltische klanken vullen de ruimte. Mijn op Engeland, Ierland en Schotland afgestemde oor herkent en hoort een veelvuldig vertolkte song voorbij komen.

Te oppervlakkig blijkt. Het Keltische is juist maar de reikwijdte van dit album is echter veel groter dan de genoemde gebiedsdelen. De Folkmuziek is de oceaan overgestoken en behelst verhalen die zich aan beide zijden afspelen. Sterker nog, verhalen die zich voortzetten.

Ed Paddington en Mary Lee Partington, akoestische muzikanten uit Rhode Island. Ed Sweeney is een gitaar- en banjospeler die zich, regelmatig in samenwerking met anderen, bezig houdt met het vertolken van een breed spectrum traditionele muziek tegen de achtergrond van de cultuur en geschiedenis. Kruisbestuivingen schuwt hij niet, zoals een samenwerking met Pipa-meester Yang Wei illustreert. Nooit van gehoord, hoor ik je zeggen. Ik ook niet en des te leuker je er eens verder in te verdiepen en dan bijvoorbeeld het “Silk Road Ensemble” tegen te komen. Het wordt te breed, hier stop ik.

Mary Lee Partington is niet minder veelzijdig. Als vertolker van op Keltische leest geschoeide muziek zingt zij traditionals, schrijft zelf songs, nam deel aan het Keltisch muziekensemble “Pendragon”, en begeeft zich op een veel breder vlak in de kunsten en gedragswetenschappen. Een ogenschijnlijk spinrag aan activiteiten maar samenkomend in de passie voor de basale verhalen uit een recent verleden die overdraagbaar zijn en te vertalen naar het heden. Macht, armoede, liefde en haat zijn van alle tijden.

Samen hebben ze, met muzikale ondersteuning van Sheila Falls: Fiddle en Torrin Ryan: Uilleann Pipes, Flute en Whistle het album “Commonplace” gemaakt en ik moet zeggen op een zeer gedegen en sfeervolle manier. Twee traditionals, één cover en vier eigen composities van Mary Lee. De volle, voor de folk uitermate geschikte, zangstem met een klein randje van Mary Lee domineert het album. De muzikale omlijstingen zijn nergens overdadig maar versterken subtiel de sfeer van de songs.

De oceaan over dus en daarover wordt in “The Manchester Mule Spinner” verteld. Een geheel in de Angelsaksische folk-traditie geschreven song met viool, gitaar en fluit. Mooie pakkende melodie. “Times Are Getting Hard Boys”, een Amerikaans volksliedje uit de periode van de beruchte en veel bezongen Dust Bowl. In vergelijking met de andere songs een afwijkende melodie. Amerikaanse luchtigheid, misschien als troost om het leed te verlichten. “Young but Daily A Growing”, een heerlijke traditional. Oubollig wellicht maar ik houd ervan. Slechts Banjo en zang. Het hoogtepunt is “Deer Island”. Qua verhaal kun je het vrijwel één op één doortrekken naar het lot van vluchtelingen van nu, van alle tijden. Een absoluut pakkende melodie. Krachtig, dramatisch vanuit het individu verteld. Mooie iets stuwende gitaarlijn en melancholieke omlijsting door viool en Uilleann Pipes. “New England’s Daughter”, een banjo song met een spannend opgebouwd levensverhaal. “Like Bread Upon the Water”, een lied gebaseerd op de Amerikaanse roman “Three Holes In The Chimney”, geschreven in de twintiger jaren van de vorige eeuw. Zang en gitaar en hoewel spelend in Amerika met een duidelijke Engelse folk inslag. Met een song van de Engelse Folksinger-songwriter Alan Bell “So Here’s To You” sluiten Partington & Sweeney het album af. Een slow song uit Noordwest Engeland. Een toost op vriendschap tot slot.

Twee muzikanten, allebei verzot op verhalen, hebben met “Commonplace” een fijn folk-album gemaakt. Zonder de pretentie om vernieuwend te zijn maar gewoon om het genre te vieren en oude verhalen te herschrijven, te vertolken en er over te vertellen tijdens optredens. Wat zo leuk is: ze zijn beiden te boeken voor kleinschalige optredens van huiskamer tot zaaltje. Ik ga “Deer Island” nog een keer opzetten.