|
Volgens de bijgeleverde biografie hebben we hier van doen met een stelletje ongeregeld. Ze dragen lang haar, tatoeages, etaleren een juiste dosis fijngevoeligheid over dood en verderf, duivel en hel en maken door amfetamine aangedreven muziek uit de bergen van Wisconsin (als ze die tenminste daar hebben). Moeten we hierom alleen al op onze qui-vive zijn voor The. 357 String Band? Welnee, niet voor dat signalement, wel voor hun 13 punkabilly/bluegrass liedjes, die erin gaan als gras in een koe. Ik zeg erbij dat ze niet onmiddellijk goed verteren, maar met genoeg herkauwen wordt zeker en vast de smaak van de fijnproever gekieteld. Immers, aan de instrumentale perfectie van de spelers ( Jayke Orvis: mandoline, wasbord, zang; Joe Huber: banjo, zang; Derek Dunn: gitaar, zang en Rick Ness: staande/slaande bas) de k(n) auwende zangpartijen van de heren en het goedgemutste gruwelsfeertje in het tekstgedeelte, valt niet te ontkomen. Veel liedjes gaan er als een speer van door, zoals Pig In A Pen, Thank You en Shotdown die hoge snelheidspieken bereiken. Pas bij het negende nummer Stillest Hour wordt het de luisteraar gegund op adem te komen, om daarna opnieuw - hi ha - flink opgejaagd te worden in Riot Act. In vergelijking met de psychotische stijlgenoten als Th’Legendary Shack Shakers (wiens voorman JD Wilkis co – producer was) houdt The. 357 String Band het overal lekker melodieus. En in tegenstelling tot wat de bijsluiter ons wil laten geloven, in ieder geval braver en beschaafder. Lekkere grasplaat. Of het live ook allemaal in orde is, kan gecheckt worden op het Take Root festival van 6 oktober aanstaande in Groningen. Ik denk van wel. (Huub Thomassen)
|