|
Of het nou gaat om de output onder eigen naam of met zijn band I Can Lick Any Sonofabitch In The House, Michael Dean Damron is een tot dusver veel te onbekend gebleven talent uit Portland, Oregan. Deze grossier in rauwe maar uiterst gevoelige rootsrock, doorregen met elementen uit punk, country en blues, had allang een vaste positie in het linkerrijtje van eredivisiemuzikanten moeten hebben. Zijn songs bezitten immers alles wat een alternatieve rocksong goed maakt: melodieus, intens, krachtig, authentiek, plus een geweldige hoeveelheid energie waardoor zijn liedjes – snel of langzaam – onherroepelijk bezit van je nemen. Op zijn laatste groepsalbum, met een wederom veelbetekende titel ‘The Sounds Of Dying’, is de aantrekkingskracht van de tien liedjes opnieuw ongelofelijk sterk. In songs met al even pregnante titels als Swear To God, Ghost, Hotter Hell en Hallelujah, gaat Damron op verbluffende wijze helemaal op in zijn eigen versie van schuld en boete. Vol vuur en met een diep(k)rakende stem zingt Damron, o zo smartelijk, de longen uit zijn lijf. Het is de wisselwerking tussen zijn uitermate gepassioneerde voordracht, het fantastische alom aanwezige harmonicaspel van David Lipkit, de geweldige dynamiek die gitarist Handsome Jon Burbank aan de dag legt en de granietharde ritmiek van drummer Flapjack Texas en bassist Mole Harris, waardoor The Sounds Of Dying zo’n overweldigende indruk maakt.
De muziek van I Can Lick Any Sonofabitch In The House, is goed vergelijkbaar met die van Rosavelt, ook zo’n zwaar ondergewaardeerd en intussen allang ter ziele gegane bandje uit Ohio. Laat dat niet de toekomst zijn van I.C.L.A.S.I.T.H. (Huub Thomassen)
|