|
Wat graafwerk in haar verleden: als journaliste voor een Nederlands blad krijgt de Amerikaanse Marybeth D’Amico in 2002 haar congé. Ze verhuist naar München, heeft de tijd aan zichzelf, leert gitaarspelen en vindt muzikale inspiratie in de, volgens haar, eenvoudige maar emotierijke liedjes van Patty Griffin. In relatief korte tijd ontwikkelt ze zich tot een songschrijfster waar – volgens kenners – rekening mee te houden valt. Na een e.p. volgt in 2008 haar goed ontvangen eerste album Heaven, Hell & Redemption, dat trouwens finaal aan mijn aandacht wist te ontsnappen.
Dezer dagen legt opvolger The Light Inside heel wat draairondjes af in mijn cd speler. Een plaat met twaalf uitstekende liedjes van eigen hand, waarin de droefgeestige sfeer van Griffin’s werk duidelijk rondwaart, maar daarom nog geen kopieergevalletje genoemd kan worden. Onder leiding van haar vaste producer/gitarist Bradley Kopp en gesteund door een aantal Austin/Texas- topmuzikanten als mandolinespeler Mark Hallman, bassist Glenn Fukunaga, toetsenist David Webb en drummer Paul Pearcy, legt Marybeth D’Amico haar getroebleerde liefdesleven min of meer bloot in donkere, vlekkeloos klinkende, grandioos vertolkte, licht rockaangezette folksongs. Ze bezit een behaaglijk warme, melancholieke alt, die perfect harmonieert met de prachtige mid-tempo melodieën en gloedvolle instrumentale invulling, meer in het bijzonder door het fraai meanderende B3 Hammond geluid en lyrische gitaarspel. The Light Inside zal denk ik, door liefhebbers van bijvoorbeeld Shawn Colvin, Romi Mayes, Rain Perry en uiteraard Patty Griffin, vanzelfsprekend als een hoogwaardig album worden ingeschaald. (Huub Thomassen)
|