|
De ouders van de 50 jarige Kerri Powers uit Boston, Massachusetts waren professionele muzikanten. Vader onder andere pianist en bandleider in de band van Louis Armstrong, moeder zangeres en bassist bij die van Wynton Marsalis. Van top tot teen gezegend met de goeie genen, schopte ze het slechts tot achtergrondzangeres van bijvoorbeeld Jackson Browne, Paul Simon en godbetert Madonna. In 2003 verschijnt in eigen beheer haar eerste album ‘You, Me, And A Redhead’, dat nu pas met ‘Faith In The Shadow’ wordt opgevolgd.
Onbegrijpelijk dat haar carrière er eentje is van aanmodderen, want ze schrijft – meestal –samen met haar gitarist en producer Crit Harmon hele mooie composities – met aansprekende teksten over de vele zijden van menselijke relaties – waarin genres als blues, jazz, folk, country en rock met veel gevoel zijn verwerkt. Daarbij bezit ze ook nog eens een fenomenale stem. Haar sexy vibrato, kleurrijke timbre en meeslepende dictie werken als een magneet. Vanaf het eerste tot het laatste liedje op ‘Faith In The Shadow’ hang je aan haar lippen. De openers Do You Hear Footsteps en Trying My Way To You bezitten een krachtig drenzerig rocksfeertje, waarna via de bitterzoete countryballade Nobody Minds My Drinking en het geestige Magdelene, zo mogelijk de intensiteit nog meer toeneemt door de onderhuidse spanning in het fragiele Shadow Of Someone en intieme Low Down Low, het aards luie sfeertje in Diamond Day, de smoothy jazz in Sweet Crusade of de intieme, akoestische afsluiter Tallulah Send A Car For Me. Maar daartussenin staat het allermooiste liedje Fireworks And Cheap Repairs, waarin alle losse bestanddelen van muzikale – en gemoedsferen van de andere songs samenkomen.
Naast de standaard bezetting van drums, (staande) bas en gitaren, zorgt vooral het orgelspel door Brad Hatfield, de gevoelige lap steel- en dobro klanken van Steve Sadle en de spaarzaam klinkende harmonica van Jim Fitting voor de uitzonderlijk warme muzikale inbedding. Een geheide top 10 2009 kandidaat, hoop ik en opstoten dus maar in de vaart der volkeren. (Huub Thomassen)
|